Beweging - Eerste graad

Anneke Peetermans (twee lessen)

Algemene toelichting

Omdat we vertrokken zijn van een kunstwerk van Bernard Pras zou ik graag het gegeven afval (rommel) een aantal keer laten terugkomen in de lessen. Vindmaterialen zijn naar mijn mening de materialen bij uitstek om mee te knutselen, experimenteren, muziek mee te maken en drama activiteiten mee op te zetten. Media met allerhande materialen is ook een plus. Ik denk hierbij aan verschillende beroepen in kaart brengen, stop-motion filmpjes, dingen tot leven laten komen, ... Met de materialen kan gespeeld, geëxperimenteerd, uitgebeeld, ... worden.

De eventuele aanpassingen na uitvoering vindt u in het rood bij de opdrachten.

Beweging twee lessen - eerste graad lager onderwijs

1. Domein en thema, les 1.

De leerlingen werken rond beweging (dans). Ze experimenteren met contrasten en geleidelijke overgangen binnen dit domein (zie doelen en bouwstenen).

Uit eigen brainstorm (zie bijlagen) beginnende van rommelige ruimtevaarders kwam ik tot volgende ideeën: astronauten - zweven, lijnen, zwaar/licht en dan vooral contrasten - dieren - vissen, vlinders, vogels, beren, slangen, ...

Het thema van deze les is daarom geworden: 'Kunnen dieren dansen op de maan?' Het centrale thema over de twee lessen is Dieren op de maan.

2. Beginsituatie

Deze fiche is voor het tweede leerjaar. Omdat dit de laagste graad is beperkt de leerkracht zich tot eenvoudige bewegingsopdrachten en experimenteren ze met ruimte (ruimtelagen - hoog naar laag bewegen en omgekeerd).

De leerlingen bewegen regelmatig als tussendoortje en voelen zich op hun gemak in de klas. Ze zijn graag in beweging en beschikken nog voldoende over fantasie: verhalen, sprookjes, ... en kunnen zich inleven in hun rol (expressieve vermogens aanspreken). Ze kunnen spontaan meebewegen op muziek. De leerkracht zal hier dan ook op inspelen, ze doet ook zoveel mogelijk mee zodat de leerlingen die geen ideeën kunnen verzinnen of spontaan krijgen, de leerkracht als model (voorbeeld) kunnen nemen.

De werkvorm bewegen op muziek kwam al aan bod in de vorige les, dus zet de leerkracht een ander soort muziekstuk op (zie bronnen). Het thema dieren is gekend en de leerlingen kennen de dieren die de leerkracht aanhaalt en toont.

De leerlingen zijn gewoon om in groep te werken, ze zitten in eilandjes per 4 (heterogene groepen) doorheen het klasgebeuren. Ze kunnen ook individueel en per twee werken, de leerkracht ondersteunt dit proces zo goed mogelijk.

3. Klasindeling

Deze activiteiten kunnen in de klas gedaan worden als dit een ruime klas is, dan worden de banken en stoelen aan de kant gezet. Een grotere ruimte bijvoorbeeld een turnzaal of de speelplaats is aangenamer, dan kunnen de leerlingen meer ruimte gebruiken om in te bewegen. De leerlingen werken afwisselend in grote groep, individueel, per twee en per vier, dit telkens met verschillende medeleerlingen.

De beschouwing en opwarming gebeuren in de klas, omdat de leerkracht een aantal filmpjes laat zien van dieren.

4. Doelen en bouwstenen.

BOUWSTENEN BEWEGING: RUIMTE (ruimtelagen en grootte/vorm) en RELATIE (contrasten)

De leerlingen experimenteren met bewegingen (hoog/laag en groot/klein) en op de verschillende niveaus daartussen. Ze experimenteren ook deels met grootte en vorm. De leerlingen proberen de verschillende bewegingen uit op eenvoudige muziekritmes te zetten. Dit gebeurt soms in contrast met elkaar en soms door gebruik te maken van overgangen: hoog, gewoon en laag, groot, midden en laag bewegen, maar ze spelen ook met die overgangen (hoog/laag en groot/klein). Ze doen dit door gebruik te maken van linten, zo zien de leerlingen ook beter de contrasten tussen de elementen (groot vs. klein en hoog vs. laag).

De leerlingen experimenteren en ontdekken de mogelijkheden van hun eigen lichaam op eigen maat en eigen kunnen. Ze proberen om met hun lichaam eigen gevoelens en gedragingen van dieren te uiten.

Doelen beweging:

  1. VVKBAO.LPD.10.1.: Klankverschillen en muzikale tegenstellingen via bewegingen herkennen en ervaren.
  2. VVKBAO.LPD.bewegingsexpressie.1: Kinderen experimenteren met en bekwamen zich in de uitdrukkingsmogelijkheden van hun lichaam. (pt. 1.1-1.2-1.3)
  3. VVKBAO.LPD.bewegingsexpressie.3: Kinderen bewegen vlot in tijd en ruimte. (pt. 3.2)
  4. VVKBAO.LPD.bewegingsexpressie.4: Kinderen worden zich bewust van hun identiteit en van hun inlevingsvermogen. (pt. 4.1-4.2-4.4)
  5. VVKBAO.LPD.bewegingsexpressie.6: De kinderen trachten de bewegingsexpressie van zichzelf en anderen te beoordelen. (pt.6.1-6.3-6.4)

5. Het lesverloop

Deze les bestaat uit 60 minuten, met speelse experimenteeropdrachten die op muziek worden uitgeoefend, individueel, per twee, per 4, ... Les twee binnen beweging sluit hierop aan, de eindopdracht vanuit les 1 wordt eveneens gebruikt als instap (inleiding en opwarming) voor de volgende les. Deze lessen sluiten bij voorkeur op elkaar aan. De leerlingen bouwen dus verder op hun dansverhaal.

De leerkracht last regelmatig een bespreking in om op ideeën te komen en om gericht te kunnen starten aan een volgende opdracht. De leerlingen brengen regelmatig hun ideeën aan die ook gebruikt zullen worden.

Nota vooraf: De onderwijsleergesprekken kunnen ingebouwd worden tijdens de opdrachten, dan wordt de klas even stilgelegd. Maar dit kan ook achteraf gebeuren. De mogelijke vragen die gesteld kunnen worden vindt u na de opdrachten.

Nodige materialen:

Filmpjes van verschillende dieren (zie bronnen), klassieke muziek (zie bronnen) en linten.

Introductie + opwarming: Kunnen dieren dansen op de maan? (15 - 20 min.)

Doel: De leerlingen kunnen bewegingen die ze zien correct verwoorden: hoog, laag, groot klein, zweverig, fladderend, ...

De leerkracht vertelt dat de dieren die we nu gaan bekijken heel graag een reis naar de maan willen maken. Maar ze kunnen niet zomaar naar de maan, ze zullen eerst moeten leren hoe ze het beste kunnen bewegen op de maan. Zullen ze dat wel kunnen als ze op hun eigen manier bewegen?

De leerkracht laat de leerlingen een aantal filmpjes  van dieren bekijken en beschouwen: de leerlingen kijken gericht naar de bewegingen van vlinders, vissen, reptielen, beren, haas, insecten ... (let op dat de contrasten goed te zien zijn.) De leerkracht vraagt aan de leerlingen goed op te letten of de dieren hoog of laag bewegen en grote of kleine bewegingen maken.

De leerkracht stelt nadien gerichte vragen over hoe de dieren bewegen, daarna doen ze een aantal spelletjes van voordoen en nadoen.

OLG vragen:

  • Welke dieren heb je gezien? (Een vis, een vlinder, een beer, een haas, insecten, een slang, ... )
  • Hoe bewegen ze? Leg eens uit of doe eens na.
  • Bewegen ze met hoge of lage bewegingen? Dicht tegen de grond of ...?
  • Bewegen ze sierlijk of eerder log en zwaar?
  • Waaraan kon je dit zien?
  • ...

Opwarming: Hoe zouden dieren bewegen op de maan? (associaties)

Doel: De leerlingen kunnen bewegingen verzinnen, raden en nadoen door gebruik te maken van linten. Ze kunnen dit ook correct verwoorden met hoog, laag, groot en klein bewegen. (extra kan zijn de hoofdletters in de lucht tekenen die ze leren schrijven)

De leerkracht zet de leerlingen in een grote kring. Ze staat zelf tussen de leerlingen zodat ze mee in het verhaal zit. De leerkracht doet telkens ook mee of doet voor. De leerkracht laat zien hoe een astronaut beweegt op de maan om duidelijk te laten zien dat bewegingen op de maan zweverig en groot zijn. De leerlingen doen dit na.

  • Als de dieren die we hebben gezien op de maan zouden wonen, zouden de bewegingen dan hetzelfde zijn dan die op de aarde?
  • Waarom wel/niet?
  • Kun jij (enkele lln. aanduiden) eens tonen hoe je denkt dat een vlinder (of een ander dier uit de beschouwing) zou bewegen/dansen op de maan.
  • We doen dit eens allemaal na.
  • Wat denken de anderen? Andere ideeën?

De leerkracht heeft linten meegebracht en vraagt aan de leerlingen waarvoor dit allemaal gebruikt kan worden. De leerlingen kunnen verschillende dingen antwoorden (in je haar doen, ...).

De leerkracht pikt hierop in en vertelt het volgende: Met linten kan je ook door de lucht bewegen, ze kunnen de bewegingen die je ermee maakt versterken. De lk toont dit: zwaaien ronddraaien, op en neer bewegen, een cirkel, ... (ze overdrijft hierin)

De leerkracht maakt een aantal bewegingen in de lucht met haar lint (een groot/klein, hoog/laag huis, een vis, een vogel, ...) De leerlingen proberen te raden en verwoorden wat ze tekent, nadien komen er een paar leerlingen in de kring staan om zelf een voorwerp of dier te tekenen.

De leerlingen ondervinden dat je met linten hoge, op normale hoogte, lage, grote en kleine bewegingen kunt maken. De leerlingen kunnen ook goed het verschil zien tussen groot, klein, hoog en laag. Ze verwoorden dit ook als een vlinder met grote vleugels, een kameleon die sluipt over de grond, ...

Mogelijke bijvragen:

  • Hoe heb je met je lint bewogen? Hoog/gewoon/laag
  • Was het duidelijk voor de anderen wat je tekende?
  • Wat zou je anders doen?
  • Wie zou dit anders doen en waarom? Toon eens?
  • Hoofdopdracht met subopdrachten: (20 minuten)

De leerkracht geeft een paar korte opdrachten die de leerlingen meestal individueel uitvoeren, of ze doen iemand anders na en dit in groep. Niets is verkeerd!

De leerkracht zet een muziekje op de achtergrond op om te vermijden dat de leerlingen te veel met drama bezig zijn en zich meer dansend voortbewegen. De leerlingen bewegen meestal ook spontaner als er muziek op staat.

Opdracht 1: Hoe bewegen dieren op de maan?

Doel: De leerlingen kunnen bewegingen verzinnen en nadoen en kunnen dit ook correct verwoorden: hoge, lage, grote en kleine bewegingen.

De linten worden even aan de kant gelegd. De leerlingen bewegen met hun lichaam, eerst in een sliert, waarbij de leerkracht iets voordoet. De leerlingen doen dit na.

  • We zijn op wandel op de maan, nu ben ik een grote en dikke beer. (lk wandelt normaal - de lln. volgen haar en doen haar na).
  • We komen een maangrot tegen met een grote ingang, maar de ingang wordt smaller en smaller en lager en lager. (lk. begint groot en wordt steeds kleiner en kleiner)
  • We keren terug uit de grot. (de lk wordt steeds groter en groter en breder en breder)
  • Het heeft net geregend en er liggen tal van plassen op de maan. (de lk. maakt grote en kleine zweverige sprongen over de plassen)
  • De beer waait vanuit zijn ruimteschip naar de aarde, hij kan wel door het raam kijken. (de lk maakt kleine waaibewegingen op normale hoogte)
  • De beer waait vanuit zijn ruimteschip naar de aarde, hij kan niet door zijn raam kijken. (lk maakt grote hoge waaibewegingen, staat op de tenen of springt)

Mogelijke variaties: In een sliert of twee slierten, iemand doet voor en de anderen doen na. Er wordt afgewisseld tussen hoog en laag en breed en smal bewegen.

De leerlingen krijgen de ruimte om zelf iets te verzinnen, een diertje dat op een bepaalde manier over de maan wandelt of zweeft. Ze proberen dit ook correct te verwoorden, de leerkracht ondersteunt hen hierin.

Nabespreking OLG:

  • Hoe heb je de bewegingen gemaakt? Leg eens uit, toon eens?
  • Vond je het moeilijk/gemakkelijk om zelf iets te verzinnen?
  • Wat is je opgevallen aan de grote/kleine bewegingen? Vond je een dier dat ook zo bewoog?
  • Wat is je opgevallen aan de hoge/lage bewegingen? Vond je een dier dat ook zo bewoog?
  • Kon je dit goed uitbeelden, wat deed je met je lichaam?
  • ...

Opdracht 2: Diertje mag ik overwaaien ja of neen?

Doel: De leerlingen kunnen op teken van de leerkracht in de context de gevraagde bewegingen uitvoeren en maken met hun lint: hoge en lage bewegingen, grote en kleine bewegingen. Ze kunnen dit verwoorden en andere leerlingen tips geven door dit voor te doen.

De leerkracht legt uit wat de bedoeling is: "Jullie nemen allemaal een lintje. Ik geef jullie een opdracht en op mijn teken steken jullie de ruimte over. Opdrachten worden individueel uitgevoerd:

  • Je lint is een (grote/kleine) vlinder die van de ene bloem naar de andere springt, de bloemen worden steeds hoger en hoger.
  • Je lint is een boze beer die zich heel groot maakt en een astronaut achterna zit.
  • Je bent een (grote/kleine) zeepbel achterna aan het lopen die je met je lint probeert stuk te prikken de ene keer vliegt ie laag en de andere keer hoog.
  • Je bent met je lint de muren aan het schilderen, er staan grote en kleine figuren op. Je mag kiezen welke je schildert.
  • Je lint zweeft in cirkels terug naar de aarde, ze worden steeds kleiner en kleiner, of groter en groter.
  • Je lint is een astronaut die al drie dagen op stap is op de maan, hij is moe. Je moet een beweging uitvoeren maar je lint moet zoveel mogelijk de grond raken.
  • ....

Nabespreking OLG:

  • Hoe heb je de bewegingen gemaakt met je lint? Leg eens uit, toon eens?
  • Vond je het moeilijker/gemakkelijker met het lint of je lichaam?
  • Wat is je opgevallen aan de grote/kleine bewegingen? Vond je een dier dat ook zo bewoog?
  • Wat is je opgevallen aan de hoge/lage bewegingen? Vond je een dier dat ook zo bewoog?
  • Kon je dit goed uitbeelden met je lint of zou dat beter gaan met je lichaam?
  • ...

Opdracht 3: Doe het tegenovergestelde.

Doel: De leerlingen kunnen op teken van de leerkracht met hun bewegingen reageren op tegengestelden en dit ook verwoorden.

De leerkracht geeft deels dezelfde opdrachten als hierboven, er wordt een variatie gespeeld op het spel in opdracht 1. De leerkracht laat de linten aan de kant leggen en zegt het volgende: "Jullie krijgen een opdracht en op mijn teken voer je deze uit. Ik ga het nu iets moeilijker maken, als de muziek stopt, bevries je even (je stopt dus met bewegen) en voert dan het tegenovergestelde uit voor de rest van de tocht, als je kleiner werd, word je terug groter en als je hoger werd, word je kleiner (lager)."

Er wordt eerst gemakkelijk begonnen, iedereen wandelt kriskras door de ruimte. De oefeningen worden eerst individueel, daarna per twee uitgevoerd. De leerkracht zet steeds de muziek even op stil.

"Op mijn teken alleen, per twee, ...":

  • Je springt door de plassen, maar je laarzen zijn veel te groot.
  • Je wordt moeier en moeier en zakt langzaam in elkaar.
  • Een grote beer die door een smalle opening kruipt.
  • Een vlinder, een slang die van iets verschiet en opwipt.
  • Een grote beer die achterna wordt gezeten door een slang of omgekeerd.
  • Je huppelt op de maan maar je voeten worden heel zwaar en blijven soms aan de maan kleven.
  • Wanneer je op de maan springt, beweeg je heel traag, je maakt een hoge sprong en komt zachtjes neer.
  • Per twee speel je een kleine dikke beer die gaat lopen van een grote snelle muis.
  • ...

Eindopdracht en bespreking: Welke dieren dansen op de maan? (20-30 min)

Doel: De leerlingen kunnen een eenvoudig dansverhaal verzinnen en er de geoefende bewegingen op uitvoeren. Ze kunnen daarbij verwoorden welke bewegingen ze maakten en hoe ze die uitvoerden.

De leerlingen krijgen per 4 deze opdracht: "Jullie kiezen elk een diertje dat je zou willen zijn, dansend op de maan."

De leerkracht doet een rondvraag en deelt op basis daarvan de groepjes in (per 4), ze zet dezelfde dieren bij elkaar in een groepje. (Dit zijn dieren die op ongeveer dezelfde manier bewegen.)

De leerkracht geeft de opdracht en legt uit wat van de leerlingen verwacht wordt: "Nu we al eens hebben gefantaseerd en geoefend hoe de verschillende dieren op de maan zouden dansen/ bewegen. Mogen jullie per vier een kort dansverhaal verzinnen. Je ziet alleen dat je daarin zowel hoog als laag en groot als klein beweegt. Nadien mogen de anderen raden welk verhaaltje je hebt gedanst."

De leerkracht gaat rond en ondersteunt dit misschien moeilijke proces. Sommige leerlingen kunnen zich al makkelijker inleven dan anderen. Mogelijke suggesties en opmerkingen van de leerkracht zijn:

  • De leerkracht legt het klasgebeuren even stil en laat iemand al eens tonen wat ze hebben (als inspiratie voor de andere leerlingen).
  • Je kan misschien groter/kleiner beginnen en geleidelijk aan grotere/kleinere, hogere/lagere bewegingen maken.
  • Herinner je je nog de dieren die we bekeken hebben?
  • Misschien is er een ander diertje waar je aan denkt en waarvan je de bewegingen zou kunnen gebruiken?
  • Een sprookje dat je leuk vindt of een diertje dat erin voor komt?
  • Wauw, dit vind ik knap gevonden.
  • Dit is echt vloeiend aan elkaar gezet, knap!
  • Jullie heb heel mooi samengewerkt!
  • ...

Nabespreking evaluatie:

  • Kon je de verschillende dieren herkennen?
  • Welke bewegingen werden daarvoor gebruikt om dit duidelijk te maken?
  • Was het moeilijk om een verhaaltje te verzinnen?
  • Wat zou je anders doen?
  • Heb je eens stiekem naar de anderen gekeken?
  • Kon je van hen iets gebruiken?
  • Zetten de anderen je al een beetje op weg?
  • ...

Domein en thema, les 2.

De leerlingen werken rond beweging (dans). Ze experimenteren met contrasten en geleidelijke overgangen binnen dit domein (zie doelen en bouwstenen).

Uit eigen brainstorm (zie bijlage) beginnende van rommelige ruimtevaarders kwam ik tot volgende ideeën: astronauten à zweven, lijnen, zwaar/licht en dan vooral contrasten à dieren à vissen, vlinders, vogels, beren, slakken, ...

Het thema van deze les is daarom geworden: 'Het is feest op de maan! De les sluit aan bij les 1 en een deel van beweging komt hierin terug namelijk ruimte (grootte en vorm) en spelen met contrasten (relatie). Op het einde van de les volgt een improvisatie waarin ze de verschillende geoefende bewegingsvormen omzetten in een dans- expressieve fuif. Dit doen ze door goed naar het ritme van de muziek te luisteren.

1. Beginsituatie

De leerlingen uit het tweede leerjaar bouwen verder op het thema van de vorige les. Vorige les werkten ze vooral aan ruimtelagen binnen het domein beweging waarmee ze experimenteerden met hoog, op normale hoogte en laag bewegen, grote en kleine bewegingen maken (grootte/vorm). Ze probeerden in de eindopdracht deze mooi in elkaar te laten overgaan zodat er een verhaaltje ontstond (per 4).

In les 2 gebruiken ze deze bewegingen terug maar werken ze aan en met tempo (snel/traag). Er wordt eerst door de leerkracht gekozen om muziek te maken op vindmateriaal (blik). Bij een deel van de opdrachten zullen de kinderen dit ook mogen gebruiken. Later doen ze bewegingen die ze moeten aanpassen aan de muziek die de leerkracht opzet. Deze les kan daarom opgevolgd worden door muziek maken met vindmateriaal om in het gegeven rommel/afval te blijven.

De eindopdracht van les 1 wordt gebruikt als instap om zo de gekende en gemaakte bewegingen uit te breiden met snel en traag bewegen. De leerlingen zullen nu traag en snel bewegen en experimenteren verder met geleidelijke overgangen, ook met de bewegingen die in de eerste les aan bod kwamen (groot, klein, hoog en laag).

Deze les sluit aan op de vorige, het dansverhaaltje van de verschillende groepen wordt gebruikt als opwarming. Ze is lichtjes vervormd tot spelvorm gebaseerd op een kwartetspel, ze plaatsen een foto van een dier bij een dansje. (inleiding, beschouwing en opwarming). Dit is een les voor 50-60 minuten.

2. Klasindeling

Deze activiteiten kunnen in de klas gedaan worden als dit een ruime klas is, dan worden de banken en stoelen aan de kant gezet. Een grotere ruimte bijvoorbeeld een turnzaal of de speelplaats is aangenamer, dan kunnen de leerlingen meer ruimte gebruiken om in te bewegen.

De leerlingen werken afwisselend in grote groep, individueel, per twee en per vier, dit telkens met verschillende medeleerlingen. De eindopdracht zullen ze in grote groep doen, want het is immers een fuif op de maan. Dit allemaal in dezelfde ruimte, dan kan de leerkracht af en toe de klas stilleggen en kort de bewegingen bespreken zodat de leerlingen ideeën kunnen opdoen van elkaar.

3. Doelen en bouwstenen

BOUWSTENEN BEWEGING: TIJD (tempo), RUIMTE (grootte/vorm) en RELATIE (contrasten).

De leerlingen experimenteren met tempo en snelheid, maar ook hetgeen tussenin ligt. Van traag naar snel en omgekeerd. Dit gaan de leerlingen doen door middel van spelvormen. Na het bekijken van een bewegingstussendoortje in mijn stageklas worden spelvormen als veilig en fijn ervaren. Je ziet dat iedereen er van genoot.

De leerlingen experimenteren ook met grootte en vorm van de bewegingen, met contrasten en geleidelijke overgangen. Ze experimenteren ook met verschillende verschijningsvormen binnen dans (hoog, laag, klein en groot). Ze oefenen hier verder in, want dit kwam voor in de vorige les. De leerlingen kunnen daarom hun bewegingen nog bijstellen.

Doelen beweging: (de lesdoelen vindt u bij de opdrachten)

  • VVKBAO.LPD.bewegingsexpressie.1: Kinderen experimenteren met en bekwamen zich in de uitdrukkingsmogelijkheden van hun lichaam. (pt. 1.1-1.2-1.3)
  • VVKBAO:LPD.bewegingsexpressie.3: Kinderen bewegen vlot in tijd en ruimte. (pt. 3.1)
  • VVKBAO.LPD.bewegingsexpressie.6: De kinderen trachten de bewegingsexpressie van zichzelf en anderen te beoordelen. (pt.6.1-6.3-6.4)
  • Het lesverloop

Het einde van de vorige les is de insteek van deze les met als extra bij de bespreking dat de leerlingen een foto van het desbetreffende dier bij een dansje plaatsen. Ze verwoorden daarbij ook waarom het diertje er bij past.

Materiaal: Blikken, muziek, ritmestokjes.

Inleiding, opwarming en beschouwing: Bewegings- duet. (20-30 minuten)

Doel: De leerlingen kunnen na de tips en voorbeelden van medeleerlingen hun dansverhaaltje herwerken.

De leerlingen beschouwen het dansje van de medeleerlingen (zie einde vorige les). De leerkracht heeft prenten van de verschillende dieren meegebracht. De leerlingen krijgen daarna eventueel nog een 10 minuten om aanpassingen te doen aan hun dansje. Ze doen dit in groep nog een keer voor aan de anderen.

Nabespreking beschouwing en aanpassing, evaluatie:

  • Kon je nu beter de verschillende dieren herkennen?
  • Was het dansverhaaltje nu duidelijker? Waarom wel/niet, vertel even waarom.
  • Welke bewegingen heb je daarbij nog extra gebruikt om dit nog duidelijker te maken?
  • Was het moeilijk om aanpassingen te doen?
  • Zijn er dingen die je nog wel anders zou doen?
  • Kun je je vinden in de prent die de medeleerlingen erbij plaatsten? Waarom wel/niet?
  • ...

Opwarmertje in functie van deze les: Dappere stille sluiper(d)s.

Doel: De leerlingen kunnen spelen/experimenteren met snel en traag bewegen en met overgangen tussen snel en traag op de maat die de leerkracht aangeeft.

De leerkracht leidt het thema even in en zet de leerlingen in een kring: "Er wordt een groot feest/fuif gehouden op de maan. Het is donker en de kinderdieren sluipen zachtjes doorheen het huis en de nacht op weg naar het grote feest. Eigenlijk mogen ze van hun ouders niet gaan omdat ze nog veel te jong zijn."

De leerkracht kiest drie of vijf kinderen die graag dit diertje eens willen spelen. De leerkracht speelt een traag ritme op een blik met een ritmestokje (vindmaterialen). De leerkracht speelt zacht, regelmatig en langzaam.

"Langzaam en stil sluipen jullie de trap af: uit hun slaapkamer, langs de slaapkamer van hun ouders en jullie nemen nog snel een aantal dingen mee: slingers, huissleutels, drankjes, ... die je (snel/langzaam/middelmatig) wegsteekt in je rugzak, want je wil je ouders niet wekken!"

De leerkracht speelt een sneller maar gelijkmatig tempo op het blik. Ze bouwt de spanning een beetje op. Ze kan een aantal keer wisselen van leerlingen en van dier. De ene keer sluipt de beer, dan de vlinder, de haas, de slang... De leerkracht wisselt ook af in tempo en schetst zo zelf ook een aantal contrasten. Ze let erop dat de dieren op hun eigen manier bewegen, zoals ze dat in het echt doen.

OLG na het kringspel:

  • Slopen ze echt langzaam de trap af, door het huis, langs de slaapkamer van de ouders?
  • Deden ze dit op elke slag van het blik?
  • Kon je horen aan het ritme of je traag of snel moest bewegen? Hoe kon je dat horen?
  • Bewogen ze snel/traag/tussenin, ... ?
  • Ging het wegnemen van de materialen snel/traag/tussenin?
  • Ging het verplaatsen van het ene ding naar het andere snel/traag/daartussenin?
  • Kon je zien dat het een beer, vlinder, kameleon, ... was?
  • Waaraan zag je dat?
  • Als je een pluim zou geven aan iemand waarvan je vindt dat hij net zoals zijn/haar dier bewoog. Wie, kun je ook vertellen waarom?
  • ...

Hoofdopdracht, drie subopdrachten: (20 minuten)

De leerkracht haalt de bewegingen uit de vorige les ook aan: hoog, laag, groot, klein en de variaties daarin (geleidelijke overgangen). De leerlingen zetten hun bewegingen op het tempo dat wordt aangegeven.

Opdracht 1: Dierentrein. (versnellen)

Doel: De leerlingen kunnen spelen met versnellingen op de maat die de leerkracht aangeeft.

De leerlingen krijgen een diertje en verschillende opdrachtjes en stappen (bewegen/dansen) op die manier door de ruimte op het ritme dat de leerkracht maakt (met een blik en ritmestokjes). De leerlingen kunnen in een sliert lopen, kriskras door elkaar of op twee rijen (als variaties).

Opdrachten van de leerkracht:

  • Een grote/kleine vlinder met een kapotte vleugel, je stapt op je tenen/hielen.
  • Een grote/kleine slang die over de grond schuift, af en toe kriebelt er een maansteentje aan zijn buik. Soms kriebelt dit hard en maakt ie een hoge sprong en soms ook niet, dus maakt ie een klein sprongetje.
  • Je mag zelf een diertje kiezen, je diertje is groot/klein/dik/dun en er waait een koude harde wind op de maan. Je moet moeite doen om recht te blijven staan.
  • Maak twee slierten, de eerste kiest een beweging en de anderen volgen hem/haar (op de maat die de leerkracht maakt).
  • ...

Nabespreking OLG:

  • Vond je dit moeilijk/gemakkelijk/fijn/niet fijn om te doen?
  • Wat liep er dan juist wel/niet vlot?
  • Wat is je opgevallen aan de verschillende dieren/bewegingen?
  • Kun je me vertellen waaraan je zag dat je een klein/groot/dik/dun dier was.
  • Heb je er rekening mee gehouden dat je op de maan was?
  • Wat zou je anders doen?
  • Iemand tips?
  • ...

Opdracht 2: Tikken tegen de maan. (vertragings- duo)

Doel: De leerlingen kunnen samenwerken en spelen met vertragingen op de maat die de leerkracht aangeeft.

De leerkracht neemt het blik erbij, de leerlingen bewegen vrij door de ruimte. De leerkracht speelt een ritme en gaat steeds trager en trager. De leerlingen proberen daar hun bewegingen op uit. De leerkracht vertelt dat wanneer ze stop met slaan de leerlingen dus ook moeten stilstaan. Daarna geeft ze een aantal opdrachten die de leerlingen in duo uitvoeren. Ze wisselen wel van medeleerling tussen de verschillende opdrachten.

Opdrachten van de leerkracht:

  • Je mag een diertje kiezen, we wandelen kriskras door de zaal.
  • Je hebt je ruimtepak te hard opgeblazen, bij elke stap/beweging die je maakt ga je hoger. Probeer zoveel mogelijk ruimte van de zaal te gebruiken.
  • Het wordt verschrikkelijk heet in je ruimtepak, je smelt als het ware steeds meer en meer ineen, zodat je helemaal op de grond gezakt bent.
  • Wanneer je een groot, breed dier tegenkomt, dan doe je zijn/haar bewegingen na.
  • Je zoekt een partner, je zit samen in een ruimtepak, ééntje is de leider de andere de volger. Je mag elkaar niet loslaten. Daarna wissel je.
  • We doen dit nu eens per drie, vier, ...
  • Je wandelt in een rondje, de cirkel wordt steeds groter en groter, of kleiner en kleiner.

Opdracht 3: Bij ons op de maan, dansen we NIET zoals we de maat slaan. (Raad- het- plaatje)

Doel: De leerlingen kunnen spelen met vertragingen en versnellingen op de maat die een medeleerling slaat op het blik.

Er worden 4 dieren gekozen door de leerlingen waarvan ze verschillende bewegingen gaan op punt stellen. De leerlingen werken in duo, maar wisselen ook een aantal keren van partner. De ene leerling krijgt een blik en een ritmestokje, hij/zij slaat de maat en de andere zet zijn bewegingen op de maat van de dirigent. Daarna wisselen ze om en op teken van de leerkracht wisselen ze van duo.

De leerkracht ondersteunt en gaat rond:

  • Je kan misschien hoger, lager, kleiner, groter, ... bewegen.
  • Je kan met je armen, voeten, ... afzonderlijk proberen.
  • Je kan grotere stappen maken, ...
  • Dat ziet er al leuk uit, was je dit diertje?
  • ...
  • Eindopdracht : Het is groot feest op de maan -dansimprovisatie. (20 minuten)

Doel: De leerlingen kunnen laten zien dat ze genieten van bewegen op muziek, waarbij ze hun bewegingen (groot/klein/hoog/laag/snel/traag) afstemmen op het ritme (versnellen/vertragen) van de muziek.

De vier gekozen dieren en bewegingen werden in de opdracht hierboven gekozen. De leerlingen kiezen hieruit en ze vertellen even kort welk diertje ze kiezen en waarom. Op basis daarvan deelt de leerkracht de groepjes in, de leerlingen zullen in twee grote groepen werken. Ze krijgen elk twee dieren.

Eindopdracht: Jullie krijgen vijf minuutjes om de dieren te verdelen onder je groep. Na vijf minuten start ik de fuifmuziek en je speelt met de snelheid . Je danst/ beweegt op de maat van de muziek. Je probeert de bewegingen van de dieren die we hebben uitgetest te gebruiken. Je probeert telkens met heel je lichaam te bewegen. Je mag apart bewegen of met heel de groep samen.

De leerlingen krijgen 10 minuten oefentijd, daarna volgt een toonmomentje.

De leerkracht ondersteunt de leerlingen en brengt eventueel suggesties aan:

  • Je kan misschien afwisselend bewegen met je voeten, armen, hoofd, lichaam, ...
  • Ik zie iemand die dit deed ... misschien kun je dat ook eens proberen?
  • Denk eens goed aan het diertje, wat doet hij als hij bang is, iets achterna zit, ...
  • Je kan misschien meer bochten maken met je armen, benen, hoofd, ...
  • Je kan misschien iets sneller, of trager beginnen en zo sneller of trager bewegen.
  • Je kan misschien meer spelen met de overgangen, vloeiender maken, ...
  • ...

Na 10 minuten tonen de groepjes wat ze al hebben bedacht en volgt een kleine bespreking:

  • Hoe zijn jullie tot deze speciale bewegingen gekomen?
  • Welke bewegingen vonden jullie mooi om te zien? Vertel kort waarom. Geef bv. een pluim aan iemand.
  • Was er iets dat je moeilijk vond?
  • Vond je dit fijn om te doen?
  • Was er nog iets dat anders had gekunnen? Vertel eens, toon eens, ...
  • ...

De laatste vijf minuten mogen de leerlingen op een zelfgekozen muziekje vrij bewegen.

Bronnen

Afbeeldingen
Website gemaakt door Tanja Cappaert  |  Rommelige ruimtevaarders 2017
Mogelijk gemaakt door Webnode
Maak een gratis website.