Beeld - Tweede graad

Anneke Peetermans (twee lessen)

Algemene toelichting

Omdat we vertrokken zijn van een kunstwerk van Bernard Pras zou ik graag het gegeven afval (rommel) een aantal keer laten terugkomen in de lessen. Vindmaterialen zijn naar mijn mening de materialen bij uitstek om mee te knutselen, experimenteren, muziek mee te maken en drama activiteiten mee op te zetten. Media met allerhande materialen is ook een plus. Ik denk hierbij aan verschillende beroepen in kaart brengen, stop-motion filmpjes, dingen tot leven laten komen alsook de materialen waarmee gespeeld, geëxperimenteerd en uitgebeeld kan worden.

De eventuele aanpassingen na uitvoering vindt u in het rood bij de opdrachten. Dingen die zullen worden weggelaten zijn oranje en onderlijnd.

Twee lessen 'beeld' - tweede graad lager onderwijs: 4de leerjaar

Thema les 1: Tussen dromen en ontwaken ... werd het heelal geboren.

Vanuit de brainstorm: rommelige ruimtevaarders - ruimte/ruimtelagen - planteten/sterren - fantasie en dromen. Het thema voor beide lessen is dan ook rommelige fantasieplaneten en sterren. Met in deze les 2D werken en in de tweede les in 3D.

Deze les bestaat uit 60 - 70 minuten, omdat de beschouwing en opwarming iets meer tijd vragen. Dit doet de leerkracht bewust omdat er een combinatie bestaat tussen vormen (vorm) en lijnen (lijn). Kleurcontrasten (kleur) binnen het domein beeld, wordt meegenomen uit de vorige lessen. Waarbij iets meer op kleur en kleurcontrasten werd gewerkt, het geleerde nemen ze dus in deze les mee (toepassen van kleuren elkaar laten tegenspreken).

Nota: Het thema van deze les kan bij kinderen die iemand verloren hebben (dier, familielid,...) gevoelig liggen. De leerkracht zal daar op een open en positieve manier mee omgaan en begrip tonen voor leerlingen die het er moeilijk mee hebben. Zie extra activiteit na of tijdens de beschouwing (zie 3.1.5). 

1. Beginsituatie

De kinderen uit klas vier maken dit jaar kennis met de verhalen uit de Edda (Noorse mythologie - zie bronnen). Het ontstaan van licht en donker, de maan en de zon met name het heelal staan centraal in deze les. Ze hebben omtrent het verhaal al een hele beschouwing achter de rug, waarbij de leerkracht wekelijks verhalen voorleest uit de Edda. De sfeer zit erin en de leerlingen hebben nog veel fantasie. Ze spelen ook veel toneel, in de context van de verhalen van de Edda.

De leerlingen werken regelmatig met kleur, contrasten en samenhang tussen de verschillende hoofdkleuren (in vormtekenen waarbij dit jaar verder aan lateralisatie wordt gewerkt - zie lemniscaat). De leerlingen weten wat complementaire kleuren zijn en kunnen dit ook toepassen.

Daarom staan in deze les vormen en lijnen centraal, de leerlingen maakten hiermee al kennis tijdens de lessen wiskunde en weten dus wat gebroken, gebogen lijnen, ... zijn. Dit is een les van 60 minuten.

2. Klasindeling.

De leerlingen werken in een grote groep voor de beschouwing, de opwarming en de kern. Er  wordt er aan een lange tafel gewerkt waarbij de leerlingen soms doorschuiven en soms van hun plaats moeten opstaan. Het OLG vindt plaats aan de lange tafel zodat iedereen elkaar kan zien. Zo kunnen de leerlingen elkaars werk en bevindingen laten zien en aan elkaar verwoorden hoe ze te werk gingen. Wanneer het weer het toelaat kunnen de opdrachten van lijnen, vormen en kleuren zoeken ook op de speelplaats plaatsvinden. Met krijt kunnen er dan allerhande vormen overtrokken worden.

3. Doelen en bouwstenen

BOUWSTENEN BEELD: LIJN (lijnsoorten) en VORM (vormsoorten). De kleurcontrasten zijn een toepassing en verwerking van de voorgaande lessen waarbij rond kleur gewerkt werd. De leerlingen mogen vrij kiezen of ze in kleuren werken of in zwart wit. Ze zullen ervaren dat hun tekeningen meer karakter krijgen als ze in kleur werken.

De leerlingen onderzoeken en ervaren verschillende verschijningsvormen van lijnen en vormen (hoekig, rond, grillig, strak, ...), die ze leren vormen door ze te overtrekken (vormen en lijnen die ontstaan door lijnen en vormen over en door elkaar aan te brengen) en te tekenen. Hier werken ze hun tekening af met een duidelijk contrast tussen de verschillende vormen, lijnen en eventueel kleuren. Dit kan en mag heel ruim gezien worden: grote ronde vormen vs. kleine ronde vormen, ... maar ook grote ronde vormen vs. grote vierkante vormen, ...

Leerplandoelen beeld:

  1. VVKBAO.LPD.algemeen.1: Openstaan voor beelden; kinderen leren stilstaan bij beelden om beelden te bewonderen en verwonderd te zijn over diverse beelden. (pt. 1.5)

  2. VVKBAO.LPD.beeldopvoeding.10: Het beeldaspect 'ruimte' ervaren en toepassen; de oppervlakte van het tekenpapier functioneel aanwenden. (pt. 10.4)

  3. VVKBAO.LPD.beeldopvoeding.11: Het beeldaspect 'lijn' ervaren en toepassen, de begrippen spiraalvormig, grillig, diagonaal en evenwijdige arcering toepassen, verschillende lijnen toepassen in tekenwerk (gegolfd, hoekig, zigzag, ...). (pt. 11.3-11.4)

  4. VVKBAO.LPD.beeldopvoeding.12: Het beeldaspect 'vorm' ervaren en toepassen; een vorm zodanig versieren dat het karakter ervan wordt versterkt. (pt. 12.5)

Nota: De lesdoelen vindt u bij elke opdracht. 

4. Het lesverloop

Nota vooraf: De onderwijsleergesprekken kunnen ingebouwd worden tijdens de opdrachten, dan wordt de klas even stilgelegd. Maar dit kan ook achteraf gebeuren. De mogelijke vragen die gesteld kunnen worden vindt u na de opdrachten.

Extra activiteit om gevoelens een plaats te geven (= optie):  De leerlingen en de leerkracht gaan in een grote kring staan, en gooien gevoelens naar elkaar (voor diegenen die willen) op basis van de kleuren die ze hebben waargenomen bij de beschouwing hieronder.

Inleiding en beschouwing: (10 minuten)

Doel: De leerlingen kunnen verwoorden wat ze zien en voelen.                                                     Zie prenten in de bijlage (foto's van mandala's en schilderijen in kleur met verschillende lijnsoorten en vormen).

De leerkracht heeft de schilderijen afgedrukt en verspreid opgehangen in de klas. Ze wandelen in grote groep langs de verschillende prenten, per schilderij kan de leerkracht volgende vragen stellen zo kunnen ze naar hartenlust associëren en linken leggen met hetgeen ze al leerden (achtergrondkennis activeren):

  • Wat is je eerste indruk, wat valt je op?

  • Wat zie je precies? Vertel er eens wat over.

  • Hoe, wat heeft de kunstenaar gebruikt?

  • Zijn het allemaal dezelfde lijnen en vormen?

  • Zijn ze dik/dun/gebogen/hoekig, strak, grillig ...

  • Welke vormen/tekeningetjes zie je op deze werken?

  • Hebben ze allemaal dezelfde kleuren/vormen, ...?

  • Welke kleuren of verschillen merk je op tussen deze en deze, ...?

  • Hoe maakt de kunstenaar dit verschil duidelijk denk je?

  • Wat kun je uitdrukken door middel van lijnen?

  • Welke gevoelens roept dit op? (ev. kringspel: gevoelens naar elkaar gooien, hierboven genoemd)

Opwarming: Lijntje, vormpje ... waar ben je? (10 - 20 minuten)

Doel: De leerlingen kunnen gericht zoeken naar verschillende verschijningsvormen van lijnen en vormen en kunnen deze correct verwoorden met stippellijn, streepjeslijn, hoekige lijn, rechte rijn, gebogen lijn, ... en met hoekig, grillig, rond, strak .

De opwarming bestaat uit een aantal speelse opdrachten, die eerst alleen, dan per twee en daarna per vier worden uitgevoerd. Dit wordt gedaan om speels de leerlingen wakker te maken voor het onderwerp. De bespreking gebeurt achteraf aan de grote tafel waarbij alle verzamelde vormen, lijnen en kleuren samen worden besproken.

Nodige materialen: kalkeerpapier, kleurpotloden, stiften, wascokrijtjes, stoepkrijt, tijdschriften en A3 tekenpapier. Deze worden op de tafel gelegd, ze mogen experimenteren met de verschillende materialen.

De leerlingen nemen een papier en een kleurwaar naar keuze (potlood, stift, wasco, ...).

De lk geeft volgende opdrachten:

  • Teken een lijn naar keuze op je papier. Je mag kiezen hoe en met wat.

  • Je gaat in de klas op zoek naar verschillende soorten lijnen (verschillende manieren om lijnen te tekenen). Je probeert zoveel mogelijk verschillende manieren te vinden. Let op, je neemt er geen over van de schilderijen, je probeert echt vindingrijk te zijn.

  • Jullie krijgen hiervoor 2 minuten. De leerkracht geeft het start en stop sein.

De tekeningen worden verzameld op het midden van de lange tafel. Daarna wordt opdracht 2 gegeven.

  • Je neemt nu een kalkpapiertje, op mijn teken ga je per twee op zoek naar verschillende soorten (gesloten) vormen, je overtrekt ze of tekent ze.

  • Let op, je neemt weer geen vormen over van de schilderijen die hier hangen, ze kunnen je wel inspiratie bezorgen om gerichter te gaan zoeken.

  • De leerkracht geeft het start en stop sein. De vormen worden bij de lijnen gelegd die de leerlingen in vorige opdracht maakten.

Deze tekeningen worden eveneens mee op de tafel gelegd, bij de andere tekeningen. De opdracht met het tijdschrift wordt mee in de opwarming gedaan en niet in de kern zoals hieronder. Na het uitvoeren met kinderen viel deze opdracht een beetje uit de toon tussen het tekenen.

OLG lijnen en vormen:

  • Hoeveel verschillende soorten (lijnen/vormen) hebben jullie gevonden? En jullie? Vertel eens welke.

  • Hoe werden ze getekend?(recht, krom, grillig, hoekig, ...)

  • Welke verschillen hebben jullie gevonden? Vertel eens aan de anderen.

  • Heeft er nog iemand iets anders, leg eens uit?

  • Vond je het moeilijk/makkelijk om zoveel verschillende te vinden?

  • Wow, dit is een leuke vorm/lijn, vertel er eens wat meer over, aan wat doet dit je denken?

  • ...

De opdracht met de tijdschriften wordt hier toegevoegd.

Kern, hoofdopdracht met 3 subopdrachten: (20 minuten)

Opstelling: De leerlingen zitten aan een lange tafel, en schuiven na iedere opdracht een plaatsje naar links (of rechts en naar de overkant). Er ligt een tekenpapier voor iedere leerling, het materiaal dat ze mogen gebruiken ligt verspreid op de lange tafel en wordt stelselmatig aangevuld. De voorbeelden van prenten met structuren en lijnen zijn zichtbaar voor de leerlingen alsook de reeds gemaakte tekeningen.

Nodige materialen: Tekenpapier, kleurtjes, wascokrijtjes, viltstiften, ... (allen van verschillende dikte).

Opdracht 1: Allemaal door elkaar. (lijnen en vormen door elkaar tekenen)

Doel: De leerlingen kunnen op elkaars tekening extra vormen, lijnen en accenten tekenen die verschillen van diegene die al op het blad staan en kunnen verwoorden wat ze zien en tekenen.

  • Op het papier dat nu voor je ligt teken je een lijn naar keuze, ze moet van de ene zijde van je papier naar een andere zijde lopen. Je mag kiezen hoe deze lijn er uit ziet.

  • We schuiven een plaatsje naar rechts, je teken/schrijfgerei neem je telkens mee, je papier laat je liggen.

  • Op het blad dat nu voor je ligt teken je een gesloten zelfgekozen vorm, ze loopt op één plaats door de lijn die er al staat. Dit mag een vorm zijn ter grootte van ge hand, de vorm mag je kiezen.

  • We schuiven weer een plaatje naar rechts, nu teken je drie verschillende soorten lijnen die van de ene kant naar de andere kant lopen, ze moeten elkaar op een bepaalde manier twee keer (of meer) kruisen. (wordt weggelaten)

Aanpassing: De leerlingen tekenen verschillende lijnen zodat het blad in verschillende vlakken wordt verdeeld. Tijdens het OLG zal de leerkracht ontstane vormen laten zoeken, verwoorden en overtrekken.

Mogelijke vragen OLG:

  • Zijn er tijdens het tekenen van de lijnen, vlakken en andere vormen ontstaan?

  • Toon eens, vertel eens aan wat je dit doet denken?

  • Beschrijf de vorm eens.

  • Vertel eens welke verschillende vormen en lijnen je vindt. Toon dit eens aan de anderen.

  • ...

Opdracht 2: Inkleuren speciaal. (opvullen met verschillende vormen)

Doel: De leerlingen kunnen verschillende vormen aanbrengen op een gemaakt werk waardoor ze het werk een extra kenmerk geven en kunnen de gebruikte en ontstane vormen correct verwoorden (hoekig, rond, strak, grillig, ...).

De tekeningen uit vorige opdracht worden opnieuw gebruikt, de leerlingen werken per 4 en gaan verder met een ander werkje.

  • Jullie mogen per 4 een blad uit vorige opdracht kiezen.

  • Je kleurt per 4 de vlakken van je blad in maar je doet dit door verschillende vormen per vlak te gebruiken. Probeer er minstens 5 verschillende te gebruiken.

  • Je zorgt ervoor dat er geen twee dezelfde vormen in één vlak of in aangrenzende vlakken liggen.

OLG mogelijke vragen:

  • Hoe hebben jullie gewerkt? En jullie, ...

  • Toon/vertel eens aan de anderen.

  • Welke vormen hebben jullie gekozen? En jullie, ...

  • Was het moeilijk om er vijf verschillende te vinden?

  • Wie heeft er meer dan 5 gevonden? Toon eens.

  • Hoe zou je deze vormen beschrijven?

  • Wauw, knap gevonden!

  • ...

De werkjes worden allemaal verzameld.

Opdracht 3: Ontwerp je eigen fantasie planeet of ster.

Doel: De leerlingen kunnen samen met hun buur overleggen welke vormen en lijnen ze kunnen combineren om tot een fantasie element te komen (onbestaande planeet of ster).

De leerlingen wisselen van plaats, ze gaan willekeurig naast iemand anders staan. Er wordt per twee gewerkt aan deze opdracht.

  • Samen met je buur ga je op zoek naar een tekening waarvan de vormen en lijnen je aanspreken. (1minuut).

  • Je tekent er minstens 10 ze lopen in/rond en door elkaar.

  • Verander iets aan de vormen en lijnen zodat er een fantasieplaneet of ster ontstaat, je tekent die over op je blad. Verzin een leuke naam.

  • Schuif door naar een ander werkje, op het werkje dat nu voor je ligt, verdeel je de vormen in een aantal vlakken.

  • Je kiest elk een soort lijn die je in een vakje zet, ze zijn niet dezelfde.

  • Je schuift door naar een ander werkje en je brengt in de overgebleven vlakken een aantal verschijningsvormen van lijnen in kaart, je ziet dat de verschillen heel goed opvallen. Je doet dit op een zelfgekozen manier, maar je overlegt samen.

OLG mogelijke vragen:

  • Welke vormen/lijnen heb je gebruikt?

  • Zag je duidelijk het verschil?

  • Had het een meerwaarde op je tekening?

  • Was het moeilijk om samen een vorm/naam te kiezen?

  • Leg eens uit/toon eens hoe je te werk bent gegaan.

  • Waarom heb je voor deze naam gekozen?

  • ...

Opdrachtje 4: Contrasteren gecombineerd.

Doel: De leerlingen kunnen vormen en lijnen ordenen en hun tegengestelden vinden, ze kunnen dit ook correct verwoorden.

"Per 4 krijgen jullie een tijdschrift en een A3 papier (het papier is op voorhand in twee gedeeld, vormen-lijnen). Ik wil met jullie een weddenschap afsluiten: ik wed dat jullie geen 20 verschillende soorten lijnen en vormen kunnen vinden in de tijdschriften, alleen rangschikken is niet voldoende je probeert ook een tegengestelde te zoeken die je ernaast kleeft. Als jullie een ronde grote vorm vonden dan zoek je een kleine vierkante vorm, ... Vinden jullie geen tegengestelden, teken je er zelf één. Jullie krijgen hiervoor 5-7 minuten." De leerkracht geeft hier ook het start en stopsein. Deze opdracht wordt verplaatst naar de opwarming.

OLG tijdens en/of na de opdrachten, mogelijke vragen:

  • Is er iemand die toevallig twee vormen gevonden die over elkaar doorlopen, zoals hier op het schilderij? Toon eens waar en hoe de vormen lopen.

  • Hoeveel verschillende soorten hebben jullie gevonden? En jullie? Vertel eens welke.

  • Welke manieren hebben jullie gevonden? Vertel eens aan de anderen welke.

  • Welke verschillen hebben jullie gevonden? Vertel eens aan de anderen.

  • Heeft er nog iemand iets anders, leg eens uit?

  • Hebben jullie iets niet gevonden en heb je dit moeten bijtekenen? Toon eens welke.

  • ...

Open eindopdracht + toonmoment en bespreking: Fantasieplaneet of ster, individueel. (20 minuten)

Je ontwerpt een fantasie planeet of ster waar je naartoe wil reizen of zou willen wonen. Het bestaat uit minstens vier verschillende vormen die door elkaar lopen en die minstens vier verschillende lijnsoorten bevatten. Het moet wel één geheel lijken, je mag meerdere kleuren gebruiken in hetzelfde vlak. Je bedenkt een leuke naam voor je planeet of ster.

Nota: De leerkracht hangt bestaande planeten en sterren omhoog vooraan in de klas, die kunnen als basis gebruikt worden wanneer de leerlingen niet op ideeën kunnen komen.

De leerkracht gaat rond en ondersteunt waar dit nodig is:

  • Je kan één vlak in dezelfde kleur kleuren, maar ook door een tegenovergestelde kleur te gebruiken.

  • Je kan de lijnen elkaar laten tegenspreken, bv. Kort-lang, dik-dun, streepjes-stippenlijn, ...

  • Je kan misschien de vlakken op een bepaalde manier arceren.

  • Je kan het vlak misschien voltekenen met kleinere vormpjes, ...

  • Heb je deze vorm al gebruikt, misschien vult hij dit goed aan?

  • ...

Eindbespreking, toonmoment:

Doel: De leerlingen kunnen hun voorkeur aangeven en verwoorden welke soorten lijnen en vormen ze waarnemen.

De werkjes van de leerlingen worden omhoog gehangen, een paar leerlingen kunnen als ze dat wensen een rondleiding geven doorheen de verschillende planeten en sterren, de gids verwoordt kort wat hij/ zij ziet en geeft zijn beurt door aan een andere leerling.

Een andere mogelijkheid is dat de leerlingen een pluim mogen uitdelen terwijl ze verwoorden wat ze zien en wat ze zo knap vinden aan de vormen, kleuren en lijnen die gebruikt worden. Ze geven eventueel een tip.

Foto's van de opdrachten vindt u in de bijlage.

Thema les 2: Rommelige fantasieplaneten en sterren.

Vanuit de brainstorm: rommelige ruimtevaarders [Symbool] ruimte/ruimtelagen [Symbool] planteten/sterren [Symbool] fantasie en dromen.

Het centrale thema is rommelige fantasieplaneten en sterren. De leerlingen maken in deze les een landschap voor hun fantasieplaneet of ster in 3D dus.

De leerlingen nemen het gegeven lijnen en vormen mee vanuit de vorige les, maar werken deze in 3D uit. Er wordt met contrasten gewerkt. Dit kan en mag heel ruim gezien worden: grote/kleine, ronde/hoekige, ... vormen versus kleine ronde/hoekige, ... vormen. Maar ook grote ronde vormen versus grote vierkante vormen, en verschillende soorten lijnen.

1. Beginsituatie

Deze les is een vervolg op de fantasieplaneet of ster die de leerlingen maakten. Dit is een les voor de vierde klas en bestaat uit 100 minuten. Dit doet de leerkracht bewust, omdat de leerlingen achteraf de mogelijkheid krijgen om een werkje te schilderen.                                       De leerlingen werkten al rond verschillende vormen en lijnen in 2D, ze kennen de meeste verschijningsvormen van vormen en lijnen. Ze kunnen dit ook correct verwoorden. In deze les gaan de leerlingen ook met vormen en lijnen werken maar zetten de 2D om in 3D. De tekeningen (eindopdracht) die ze maakten kunnen dienen als basis bij het ontwerpen van hun landschap (in 3D).

De leerlingen hebben reeds met klei gewerkt, ze weten hoe je verschillende klei- delen aan elkaar kan zetten (slib maken van klei en water, de twee uiteinden krassen - grof maken en slib aanbrengen om de twee delen aan elkaar te hechten).

Deze les zal gaan over de landschappen op de fantasieplaneten en/of sterren. Deze les heeft een afwerkingsmodule extra 30 minuten waarin ze hun werk kunnen/mogen schilderen.

De leerlingen werkten binnen beeld al rond de bouwstenen ruimte (werken in de ruimte), dit deden ze met papier en karton.

De leerlingen maken gebruik maken van verschillende materialen om textuur in hun werk aan te brengen. De leerlingen kunnen mooi samenwerken in groep waarbij ze de regels van groepswerk mooi toepassen (laten uitspreken en respect voor ieders mening, ...).

2. Klasindeling.

De banken worden in het midden gezet zodat er een grote tafel ontstaat in het midden van  de klas, de leerlingen staan/zitten errond. In de opwarming werken ze in deze opstelling, soms individueel en soms per twee, drie of vier.

Het materiaal voor een opdracht in de kern en de eindopdracht wordt al klaar gelegd, maar is nog toegedekt (om nieuwsgierigheid te wekken). Het materiaal dat gebruikt werd vindt u terug op de foto in de bijlage.

Tijdens de opwarming en de kern zullen de leerlingen in deze opstelling (een grote tafel in het midden van de klas) werken. Bij de eindopdracht werken ze per 4, de banken worden dan in een hoek van de klas gezet. Zoals in een museum zullen de leerlingen een rondleiding krijgen en geven langs de verschillende hoeken (landschappen).

De OLG kunnen ook plaats vinden tijdens de opdrachten, dan legt de leerkracht het klasgebeuren even stil. Tijdens het uitvoeren gaat dat eigenlijk automatisch: kinderen vragen hoe ze dingen kunnen/ moeten doen, ...

3. Doelen en bouwstenen.

BOUWSTENEN BEELD: RUIMTE (werken in de ruimte - 3D), LIJN (soorten) en VORM (soorten).

De leerlingen werken rond de vormen en lijnen uit les 1 (hoekig, rond, grillig, recht, spiraal, gebogen, ...) maar ze passen deze toe in een ruimtelijk werken (werken in de ruimte 3D).

De leerlingen experimenteren met klei en het gegeven 3D, zie opwarming. De leerlingen hebben al met klei gewerkt (zie beginsituatie).

Leerplandoelen beeld:

  1. VVKBAO.LPD.algemeen.3: Inhouden, beeldaspecten, technieken en materialen achterhalen in beelden; de aangewende technieken en materialen kennen en herkennen. (pt. 3.2)

  2. VVKBAO.LPD.algemeen.5: Beeldende middelen (beeldaspecten - materiaal en technieken) exploreren en ermee experimenteren; experimenteren met allerlei materiaal (2D en 3D) en de mogelijkheden van materiaal en technieken leren kennen. (pt. 5.1 en 5.3)

  3. VVKBAO.LPD.algemeen.8: Strategieën aanwenden bij het creëren; een werkstuk langzaam laten groeien. (pt. 8.8)

  4. VVKBAO.LPD.beeldopvoeding.12: Het beeldaspect 'vorm' ervaren en toepassen; een vorm zodanig versieren dat het karakter ervan wordt versterkt. (pt. 12.5)

  5. VVKBAO.LPD.beeldopvoeding.14: Het beeldaspect 'compositie' ervaren en toepassen, een werkstuk creëren als onderdeel van een groepswerk. (pt. 14.7)

Nota: De lesdoelen vindt u bij elke opdracht.

4. Het lesverloop

Inleiding, beschouwing en opwarmingsopdracht: (20 minuten)

De leerkracht leidt het thema in: "Op onze zelfontworpen planeten en sterren, hoe zou het landschap er uit zien? Of hoe zou je willen dat het er uit ziet? Overleg even met je buur."

De leerkracht geeft de leerlingen een tweetal minuten en doet dan een rondvraag. Ze toont een aantal bestaande oppervlakken van planeten en sterren (zie bijlage) en bespreekt deze.

Opmerking: De leerkracht laat de leerlingen hun ontwerp van het landschap in klei maken, dit doet ze om de leerlingen niet altijd eerst iets op papier te laten tekenen. Het gaat om werken in 3D dus experimenteren de leerlingen ook echt met ruimte gebruiken (3D).

Opwarming: De opwarming van het heelal.

Doel: De leerlingen kunnen zich inleven en de verschillende verschijningsvormen van lijnen en vormen toepassen op een stukje klei. Ze kunnen deze correct verwoorden met; vierkant, rechthoek, glad, gegolfd, gedraaid, ...

Onder de vorm van speelse opdrachten met klei (opfrissing lijnen en vormen - warm maken voor werken in 3D) en samenwerking bevorderen. De leerlingen werken aan een grote tafel maar soms in kleinere aantallen (per twee, drie of vier).

De leerkracht vertelt; "Het is koud op de planeet/ster (laat de blok klei zien), we gaan de planeet/ster wakker maken en hem opwarmen."

Opdrachten die de leerkracht geeft:

  • We geven deze blok klei door, je geeft hem telkens op een andere manier door. Ze verwoorden ook wat ze doen.

De leerkracht kijkt erop toe dat de leerlingen dit ook doen, ze geeft eventueel suggesties en doet zelf ook mee (met één hand, met je voet, met je neus, gooien, met je ogen dicht, ...). De leerkracht benadrukt de originele ideeën.

  • Is de klei al een beetje opgewarmd? Jullie vingers ook al?

  • We geven de blok nogmaals door, maar nu breek je er een stuk(je) af, we doen dit ook steeds op een andere manier. Je vertelt tegen de anderen wat en hoe je dat gedaan hebt (wringen, scheuren, met je vingers graaien, ...). De kinderen stellen al zeer snel zelf voor om materiaal te mogen gebruiken hiervoor (mes, draad, ...).

  • Maak met het stukje klei een zelfgekozen vorm of lijn, één leerling doet iets voor (de manieren van hierboven), de anderen doen dit na. Ze wisselen een aantal keer.

De leerkracht geeft nog een aantal korte opdrachtjes. Nadien hebben de leerlingen allemaal een stukje klei. De leerkracht geeft de instructie om de ogen te sluiten.

  • We sluiten even onze ogen, we zweven rond in de ruimte tussen de planeten. We komen een mooie ronde planeet tegen (de leerlingen maken een bolletje).

  • We zweven steeds verder tussen de planeten door, ze zien er vreemd uit en hebben gekke vormen, maak in 15 tellen een strak vierkant/rechthoek/een worst, ....

  • 15 tellen is eigenlijk te veel, 5 tot 10 tellen volstaat eigenlijk al.

  • Eens we deze gekke planeten voorbij gezweefd zijn, zweven we langs de planeten terug naar ons ruimteschip. Onze eerste beweging lijkt een beetje op een kurkentrekker. Maak in 15 tellen een spiraal van je vormpje. We vliegen verder en nu maak je een kromme dunne/dikke/geporde/gefrommelde,... lijn tot we aan ons ruimteschip terug zijn aangekomen.

  • We doen langzaam onze ogen weer open en leggen de vormpjes voor ons op tafel.

De gemaakte vormen op de tafel gelegd en besproken.

OLG bespreking:

  • Welke vormen/lijnen zie je?

  • Vertel eens, hoe heb je dit gedaan?

  • Hoe ziet eruit?

  • Bvb. Geribbeld, strak, gegeolfd, spiraal, ....

  • Waarin verschillen ze van de lijnen en vormen die we vorige les getekend hebben? (De tekeningen uit vorige les kunnen erbij genomen worden.)

  • Dit is leuk, hoe zou je dit noemen? Waarom?

  • ...

Hoofdopdracht, drie subopdrachten: Van blokje klei naar landschap. (30 minuten)

Opdracht 1: Niet iedereen heeft toch hetzelfde karakter? Maak zelf het verschil. (vorm)

Doel: De leerlingen kunnen vormen en lijnen maken die van elkaar verschillen en kunnen verwoorden wat ze waarnemen. Ze kunnen dit verwoorden met: strak, gegolvd, grillig, spiraalvormig, rond, gedraaid, ...

Iedereen neemt weer een stukje klei, de leerkracht geeft de opdracht: iedereen zal een stukje krijgen dat even groot is. De leerlingen gebruikten het stukje klei uit de vorige opdracht, maar niet iedereen had even veel afgebroken/afgescheurd.

  • Maak met je klei een lijn.

  • We schuiven een plaatsje door (rechts).

  • Maak per 4 de verschillende stukken lijn aan elkaar vast. Van de ene kant van de bank naar de andere. Ieder stukje moet een ander karakter hebben. Denk aan de vormen en lijnen van hierboven.

  • Suggesties van de leerkracht; het ene deel van de lijn is heel hoog (dik), de andere laag (dun). Het ene deel is glad en het andere heel hobbelig.

OLG:

  • Welke lijnen en vormen herken je?

  • Welke heb je gebruikt?

  • Waarom heb je juist die gebruikt?

  • Wat valt je op?

  • Wat had je nog kunnen doen?

  • Hoe zou je dit gedaan hebben?

  • ...

Opdracht 2: In, op, rond en onder elkaar. (textuur zonder materiaal)

Doel: De leerlingen kunnen verschillende texturen aanbrengen op hun klei en kunnen dit verwoorden met: groeven, inkepingen, bergen, dalen, putjes, ...

De leerkracht geeft volgende opdrachten:

  • Jullie nemen elks terug een stukje klei en je maakt er een worstje van.

  • Een worstje is te klein, de leerlingen maken een vierkant/rechthoekig plat plaatje.

  • Je hond heeft er net op gestaan, hoe zou je worstje er dan uit zien?

  • We gebruiken onze vingers, ... maar niets anders.

  • De regen die op de vijver tikt.

  • Een zwaar onweer raast voorbij.

  • Er is een boom omgewaaid en alle vogels zijn gaan lopen van schrik.

  • De leerkracht laat enkele leerlingen suggesties doen en bevestigt leuke originele dingen.

  • ...

OLG:

  • Wat heb je gedaan/gebruikt om die structuur te krijgen?

  • Toon eens?

  • Wie heeft dat nog?

  • Wie heeft iets anders? Toon eens.

  • Wow dat is knap gevonden!

  • ...

Opdracht 3: Wie o wat bewandelt mijn landschap? (textuur met materiaal)

Doel: De leerlingen kunnen verschillende texturen aanbrengen op hun klei door gebruik te maken van verschillende materialen. De leerlingen kunnen verwoorden waarmee ze welke textuur aanbrachten.

De leerkracht neemt het doek van de materialen af, de leerlingen mogen ze even bekijken. Ze gebruiken deze om structuren aan te brengen op hun blokje klei (experimenteren).

De leerkracht geeft volgende opdrachten:

  • De wegen op je planeet liggen er hobbelig bij door alle meteorietinslagen.

  • De astronaut is zijn pak vergeten op te blazen en zet zware stappen.

  • Je bent gestruikelt over een groot rotsblok en botst een paar keer zwaar/licht verder. Je laat daarbij diepe/ondiepe sporen na.

  • Een maanwagen maakt diepe groeven in het landschap. (Hij heeft één platte band.)

  • De leerkracht laat ruimte voor suggesties van de leerlingen.

OLG nabespreking:

  • Vertel eens hoe je te werk bent gegaan?

  • Welke materialen heb je gebruikt?

  • Wat was het resultaat?

  • Heb je hard/zacht gedrukt?

  • Werkte dit?

  • Wat zou er beter werken?

  • Doe je het volgende keer anders?

  • ...

Open eindopdracht: Dit is ons unieke landschap! (20 minuten- per 4)

Doel: De leerlingen kunnen samenwerken om zo samen tot een origineel landschap te komen. Ze kunnen (de geoefende) structuren, vormen en lijnen weergeven in hun werk.

De leerkracht laat de prenten van de oppervlakken van bestaande planeten hangen. De leerlingen kunnen en mogen daarop terugvallen. De leerkracht gaat rond, doet suggesties en bekrachtigt de leerlingen vaak!

Opdracht: Je maakt per 4 een speciaal landschap voor je planeet. Je past minstens vier verschillende technieken toe die we hebben gezien. Je zogt er voor dat er 5 verschillende structuren voorkomen. Verzin een leuke naam voor jullie kunstwerk.

OLG:

  • Past de naam bij de verschillende structuren die je gebruikte?

  • Welke structuren gebruikte je? Welk materiaal gebruikte je daarvoor?

  • Wat vinden de anderen van deze naam. Waarom?

  • Welke naam zouden de anderen hieraan geven?

  • Hebben jullie goed samengewerkt? Geluisterd naar elkaar?

Extra: Afwerken. (30 minuten)

De leerlingen krijgen een ander werkje om te schilderen. Ze zullen daarvoor contrasterende kleuren gebruiken. Ze kennen het gebruik van complementaire kleuren en kunnen dit ook toepassen.

Tijdens de eindopdracht is me opgevallen dat de kinderen elks apart aan de slag gingen. Dit kan ook, nadien werden alle delen wel aan elkaar bevestigd. Foto's van het werk vindt u in de bijlage.

Bronnen

Afbeeldingen les 1

Afbeeldingen les 2

Fotogalerij les 1

Fotogalerij les 2

Website gemaakt door Tanja Cappaert  |  Rommelige ruimtevaarders 2017
Mogelijk gemaakt door Webnode
Maak een gratis website.